Versterken economisch groeivermogen
De concurrentiekracht is het samenspel van instituties, beleid en productiefactoren (kapitaal en arbeid) dat de productiviteit in een land bepaalt.35 Deze productiviteit bepaalt op zijn beurt het groeivermogen van een land. Dat is vooral belangrijk omdat economische groei mensen en bedrijven helpt om kansen te grijpen. Groei blijkt te leiden tot een hogere sociale mobiliteit en meer tolerantie en solidariteit in de samenleving.36 Concurrentievermogen is daarmee van groot belang voor de toekomstige welvaart van een vergrijzend Nederland, in een omgeving van wereldwijde concurrentie. Een krachtige overheid legt de basis voor economische groei door de voorwaarden te scheppen voor goed onderwijs, een sterke rechtstaat, een gunstig fiscaal klimaat, goede prikkels voor het arbeidsaanbod en een goede infrastructuur.
In het onderwijs zet het kabinet in op het optimaal benutten van talent, ieder op zijn niveau. Om dit te bereiken moet de kwaliteit van het onderwijs omhoog. Het kabinet streeft naar een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en neemt maatregelen voor opbrengst gericht werken, meer excellentie, betere leraren en sneller ingrijpen bij zwakke scholen. In het mbo wil het kabinet meer onderwijskwaliteit door de onderwijsintensiteit te verhogen en de complexiteit van het opleidingenaanbod te reduceren. De instroom van voldoende nieuwe studenten bij de technische opleidingen is hier een belangrijk aandachtspunt. In het hoger onderwijs wordt eveneens de complexiteit verminderd en wordt de lat hoger gelegd. Het kabinet ontziet het onderwijs bij zijn maatregelen voor gezonde overheidsfinanciën. Bovendien streeft het kabinet ernaar dat middelen effectiever worden ingezet. Via prestatieafspraken over onder meer kwaliteit en benutting van kennis krijgen mbo’s, hogescholen en universiteiten meer prikkels om te excelleren. Dit alles om Nederland uit te rusten voor een positie in de voorhoede van kenniseconomieën.
Nederland is de zestiende economie ter wereld, heeft de achtste financiële sector en is de vijfde investeerder wereldwijd. Het kabinet wil de kracht van het bedrijfsleven verder benutten door gebruik te maken van de expertise van bedrijven en door bedrijven beter te ondersteunen met een nieuw bedrijfslevenbeleid. In negen topsectoren hebben bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid een samenhangende actieagenda ontwikkeld met acties op de volle breedte van het overheidsbeleid; van buitenlandbeleid tot infrastructuur en van regeldruk tot onderwijs en onderzoek.
Onderzoek en innovatie leveren een belangrijke bijdrage aan de concurrentiekracht en daarmee onze welvaart. Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen voeren op veel gebieden excellent onderzoek uit. De toepassing van dit onderzoek door het bedrijfsleven blijkt echter achter te blijven vergeleken met andere landen.39 In de topsectoren worden de actieagenda’s uitgewerkt tot zogenoemde innovatiecontracten, waarin de betrokken partijen aangeven hoe ze hun onderzoeksinspanningen beter op elkaar laten aansluiten. Zo kan het onderzoek van kennisinstellingen eerder worden benut door het Nederlandse bedrijfsleven. Dat is van belang voor het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie.
Bedrijven investeren uit zichzelf minder in innovatie dan maatschappelijk gezien optimaal is. Zij nemen in hun afweging niet mee dat ook andere bedrijven en de economie als geheel meeprofiteren van de toegenomen kennis. Volgens het CPB ligt het maatschappelijke rendement van extra uitgaven aan innovatie maar liefst 50 tot 100 procent boven het private rendement.40 Daarom stimuleert het kabinet bedrijven om op zo effectief mogelijke wijze om te investeren in Research & Development . Het kabinet trekt 500 miljoen euro uit voor een nieuwe fiscale aftrek voor Research & Development (RDA), zodat het fiscaal aantrekkelijker wordt om te investeren in innovatie.
Voor een sterke economie is goede infrastructuur van groot belang. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) noemt congestie momenteel één van de grootste problemen van de Nederlandse economie.41 Congestie leidt naast directe kosten zoals files, vertraging en reisongemak tot een minder goed functionerende arbeidsmarkt.42 Het kabinet doet daarom investeringen in infrastructuur op de plekken waar de files het langst en treinen het volst zijn. Het permanent maken van de Crisis- en herstelwet levert eveneens een bijdrage aan het voortvarend aanpakken van knelpunten in de infrastructuur.
Concurrentievermogen begint bij privaat initiatief. Het kabinet gelooft in de kracht van mensen en bedrijven om kansen te grijpen. Dat mensen zich eigenaar tonen van hun leven, verantwoordelijkheid nemen, en zich vrij voelen in hun ontplooiing. Door meer ruimte te scheppen voor privaat initiatief, wil het kabinet het groeivermogen van de economie versterken. Minder regels, minder administratieve drukte en een soepeler ruimtelijk ordeningsbeleid helpen de private sector kansen te pakken. Doel is een overheid die ondersteunt, niet hindert. Het kabinet streeft daarom naar 10 procent administratieve lastenreductie tot en met 2012 en in de periode daarna 5 procent per jaar. Voorbeelden van concrete maatregelen zijn het vereenvoudigen van het loonstrookje, het limiteren van inspectiebezoeken aan bedrijven en het versoepelen van het omgevingsrecht.
Ook toekomstige wijzigingen in het belastingstelsel staan in het teken van het versterken van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie en het op orde brengen van de overheidsfinanciën. De visie van het kabinet ten aanzien van het belastingstelsel is verwoord in de Fiscale agenda en steunt op drie uitgangspunten: soliditeit, eenvoud en fraudebestendigheid. Zo heeft het kabinet besloten tot afschaffing van 7 van de 22 rijksbelastingen. In de inkomstenbelastingen wordt de zelfstandigenaftrek omgevormd zodat ondernemers makkelijker kunnen doorgroeien. In het Belastingplan 2012 wordt bovendien de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting geformaliseerd en wordt de autobelasting aangepast om de aanschaf van zuinige auto’s meer te stimuleren.